Du côté de chez zwanze: Zwans NL

Créer un site facile avec EditArea
 
Zwans NL
Er is geen mysterie, Mister!
 
 
 
Er is geen mysterie, Mister!
Twee dagen geleden wou ik een stukje schrijven over Jan Ceulemans, die buitengewone voetballer die trainer werd. Een bescheiden man, eenvoudig en rustig. Want hij is zuinig op zijn gebaren en woorden, Sterke Jan, hij coacht zijn team met twee drie gebaren net als marionettenspeler Toone die met twee drie vingers een houten pop tot leven brengt. Prachtig gewoon.
Maar maandag werd Jacques Urbain, Sterke Jacques, buitengewipt bij Union zonder enige vorm van proces tenzij een grijs (of paars) vonnis van een boekhouder. Jacques Urbain, de stedeling met een boerensnor, met ondeugende ogen, die kon luisteren, maar ook recht voor de raap was, die Jacques Urbain en zijn grote menselijkheid zullen nochtans nog lang zijn vleugels uitstrekken over de staande tribune die gelegen is tegenover de tribune die niet meer de eretribune heet, maar de tribune van de oneer.

Union was aan ‘t afbrokkelen, de tand des tijds tastte zijn verouderde gebouwen aan, maar de ruïne bleef hartelijkheid uitstralen dank zij de bezieling die uitging van zijn coach als een echo van de vurige liederen van de unionisten. Jacques Urbain had een project voor Union. Een armeluisproject weliswaar, een ineengeknutseld project bij gebrek aan beters.  Als een Afrikaanse bengel knutselde hij een mooi speeltje uit afvalmateriaal. Een beetje geblutst, een beetje verroest, maar met wat geduld en een nieuwe adem vond het afgedankte materiaal een tweede jeugd.  

Jacques Urbain wist waar hij naartoe ging, zelfs in de donkerste gangen van het geel-blauwe huis. Want zijn gezond verstand werkte als brailleschrift. Als er ’s avonds een match werd gespeeld, zag je hem als een peiler in het Club House. Hij telde niet, hij vertelde de match, zonder enige pretentie, zonder op te scheppen, met soms wat polemiek en een raak antwoord dat hij als een verbindingsteken broederlijk inlaste in de gesprekken.

Jacques Urbain lijkt een beetje op die ouderwetse literatuurleraar uit de Dead Poet’s Society. Trouw aan zijn overtuigingen deelt hij die graag met anderen; hij sleept ze mee in zijn enthousiasme, luistert naar de lyrische ontboezemingen van zijn leerlingen. Ik zie hem zo voor mij, hij de magiër van de zijlijn, als een tovenaar dansend met Jules Mbayoko op een parkeerplaats langs de autosnelweg na de match tegen Doornik, terwijl andere spelers, ondermeer de Toch, al wat het tankstation aan bierblikjes bezat, wegkaapten.

Maar Jacques Urbain is nog lang niet dood. Met beide voeten op de grond. Ongetwijfeld deelt die man die alles deelde, onze verbittering en onze spijt. Maar morgen is een andere dag, er is geen mysterie, Mister, that’s life. En u zal weerkaatsen als een door de opgeblazen directie van Union opgeblazen voetbal

En wij, wij zullen meer dan ooit teren op nostalgie en herinneringen aan hoe het vroeger was in afwachting van uw terugkeer.
                                                          ***************
Tubeke dat  tracht van elke match een banket, een vrolijk feest te maken, werd negentig minuten lang beklad door een horde woestelingen, smurfen van de wansmaak van wie de hersenen meer lijken op een met alcohol doordrenkte spons dan door een vat waaruit het begin van een gedachte ontspringt. Afgezien van de muggenzifterijen om te weten of het zingen van “Et les Wallons, c’est du caca”, al dan niet racistisch is, stelt men met verbazing het relativisme vast van de Vlaamse commentatoren die als in een spiegel het onbegrip van de Franstaligen weerkaatsen die de schouders ophalen zodra er gesproken wordt over de vernederingen die de werklieden, boeren, dagloners, kortom de Vlaamse kleine man in de 19e eeuw onderging, een eeuw waarin arrogantie en misprijzen in onze contreien het feit waren van de Franstalige bourgeois.

 
Maar dit « Wallon, c’est du caca », da’s de uiting van een gevaarlijke ontsporing. Hier heb je niet alleen het excuus van domheid, alcoholmisbruik en massagedrag. Neen, die ontsporing wordt gevoed door duizend nietige uitingen van haat die vrolijk en nonchalant een klankbord vinden in de media. De hedendaagse schrijver Herman Brusselmans met zijn wat geblaseerd postmodernisme die enigszins verwant is met Eduad Limonov, de spitante Russische schrijver die bekend staat als boegbeeld van de nationale bolsjevistische partij en zijn uitspraak onderstreept met kalachnikovschoten, Brusselmans dus kwam onlangs aan bod in het VRT-programma Studio 1 en loste wat hij dacht een gewaagde en briljant provocerende uitspraak te zijn: “Tubeke? Een strontstadion, een strontteam, een strontclub!” En alle aanwezigen op het plateau moesten vreselijk lachen om de ruwe taal van een van onze meest briljante schrijvers.
Wallonië, Vlaanderen en Brussel worden gegijzeld door allerlei maffia’s met elk hun eigen cultuur. De drie gewesten verkeren in een diepe crisis. Maar aan de ene kant is de maffia Latijnser, uitbundiger dan aan de overkant. Nochtans wordt hier en ook daar levensmoeheid vastgesteld die buiten de mythes speurbaar is. Het winnende, rijke Vlaanderen is een ballon die moeilijk de rackets, het asociale patronaat, de triest-poujadistische politieke klasse verbergt die haar neersabelen, ze doen bloeden en schenden om ze te doen lijken op een Waalse heroïne uit een tranerig feuilleton. KBC trekt het overheidsgeld naar zich toe onder algemeen applaus. Net zoals Moedertje Fortis.

 
De Joegoslavische oorlog begon in een voetbalstadion. Om spiritueel voor de dag te komen spuiden de Kroatische, Servische, Sloveense, Bosnische intelligentsia hun gal te midden van pseudo-historische verwijzingen en kwetsende provocaties. De eerste slachtoffers van de oorlog in Joegoslavië vielen trouwens in een voetbalstadion in Zagreb. Vermoedelijk verscheen ook toen een Brusselmanovic in de televisiestudio die voor de lol uitriep:”Belgrado? Een strontclub in een strontstadion”. Indertijd zongen sommige supporters ongetwijfeld uit volle borst:” De Serviërs/de Kroaten, da’s stront!”. En er waren van die schone geesten die hun omgeving geruststelden en zeiden dat dit deel uitmaakte van de folklore van het voetbal, dat je er niet te erg moest op letten, want anders zouden er geen voetbalmatches meer worden gespeeld, enz. Karadzic was een dichter, Milosevic een socialist. Letermovic eerste minister!
 
 
De zaak Aracic: de sompige wereld van het voetbal
Het feuilleton Aracic, ik volg het al sinds een jaar via de pers. Het is tekenend voor een kwaal die als koudvuur het huidige voetbal aantast, waar de clubleiders blijkbaar alle rechten hebben en ons soms terugsturen naar middeleeuwse toestanden. Weinig spelers durven hun rechten laten gelden voor de rechtbank. Want als ze het wagen, tekenen ze dikwijls hun eigen doodvonnis over hun voetbalcarrière. Zo heeft Jean-Marc Bosmans geen club meer gevonden na zijn beroemde rechtszaak.
Ik wou dan ook de advocaat van de Kroatische speler ontmoeten, meester Emmanuel De Wagter die me ontving in zijn kantoor in Ukkel. Deze vriendelijke man die klare taal spreekt,  geeft toe dat hij geen ervaring heeft met de wereld van het voetbal. Hij was dan ook verbaasd en verrast toen hij bepaalde praktijken ontdekte die in het sompige wereldje van het voetbal schering en inslag zijn Ante Aracic en zijn advocaat werden in het gelijk gesteld tijdens een eerste voorlopige uitspraak van de Arbeidsrechtbank. Het spreekt vanzelf dat ik ook graag de heer Johan Vermeersch aan het woord had gelaten. Zijn club die er gewoonlijk als de kippen bij is om allerlei persberichten op te nemen op zijn website, geeft ineens blijk van discretie en zwijgzaamheid. Maar aangezien ik al enige tijd persona non grata ben in de wandelgangen van het Edmond Machtensstadion heb ik voorlopig afgezien van mijn voornemen. De komende dagen zal ik evenwel trachten contact te nemen met Meester Blanpain, de raadsheer van de leiding van FC Brussels.
De eerste vraag die me te binnenschiet : hoe is Ante Aracic bij u terecht gekomen ? 
Via Kroatische diplomatieke kringen. Meneer Aracic had een beroep gedaan op de Kroatische Ambassade die zich het lot van een van zijn landgenoten aantrok zoals overigens eender welke ambassade zou hebben gehandeld.
De zaak Aracic, in grote lijnen, waar gaat het om ?
Om het kort te houden: het is het verhaal van een talentvolle speler vol illusies die in 2007 in de Champio’s League speelde met zijn vorige Praagse club; vol verwachting tekent hij eind augustus 2007 een contract bij FC Brussels; als hij gekwetst geraakt tijdens een eerste vriendschapsmatch bij Sedan op 7 september 2007  geeft hij er zich uiteindelijk rekenschap van dat de ondertekening van zijn contract niet gerespecteerd wordt en dat men “profiteert” van zijn toestand als geblesseerde om zijn loon niet te storten, evenmin als de premies en dat ook de contractueel bedongen verzekeringsbijdragen en andere sommen niet worden betaald. Men profiteert van zijn toestand als gekwetste sportman om de aangegane verbintenissen te negeren.
Trok hij geen enkel loon ?
Inderdaad! Hij trok geen loon. Nooit ! Dit wordt bevestigd door de beslissing van de arbeidsrechtbank op 28 oktober 2008 die de club veroordeelt tot betalen, inclusief de eerste maandsalaris van september 2007 die nooit werd uitbetaald. 
Hij bevindt zich onder medisch attest. Moet de club dan nog verbintenissen naleven?
Vanzelfsprekend. Hij staat onder contract. Na 8 dagen geraakt hij gewond tijdens een vriendschapsmatch in Sedan. Zijn contract bepaalt dat de club desondanks zijn verplichtingen moet nakomen, met inbegrip tijdens de blessureperiode. Hij heeft dus een doktersbriefje tot 1 februari 2008. En vanaf 1 februari 2008 is hij volkomen in staat om te spelen. Hij gaat dagelijks naar de training. Jammer genoeg wordt hij nooit geselecteerd om met de eerste ploeg tijdens de matches mee te spelen.
Hij wordt niet geselecteerd voor de eerste ploeg, maar dat betekent niet dat de club hem geen salaris moet betalen ?
Dat spreekt vanzelf. Zijn contract werd nooit onderbroken. Zijn contract werd om medische redenen vier maanden geschorst. Maar verbroken werd het contract niet tot hij er zelf op 23 juli 2008 een eind aan stelde wegens verzuim in hoofde van zijn werkgever om zijn salaris te betalen. 
Er is een uitspraak, maar ik vermoed dat de zaak daarmee niet afgesloten is?
Verre van gesloten, natuurlijk een eerste  uitspraak – ik weet niet of Brussels in beroep gaat – maar de zaak is niet gesloten.Het is een eerste en voorlopig oordeel. Bij de inleidende audiëntie op 9 september 2008 hebben we in ons pleidooi slechts één van  de verschillende vorderingen aangehaald. We hebben alleen gepleit over de loonachterstallen. De vergoedingen werden niet bepleit en er werden ook geen schadevergoedingen geëist. We hebben dus maar een klein deel van het dossier aangevoerd, want het ging dus om de inleidende audiëntie. Je krijgt er niet de kans heel het dossier aan te halen. De rest wordt uitgesteld om de partijen in staat te stellen de zaak voor te bereiden. Elke partij kan conclusies trekken, zijn argumenten schriftelijk aanvoeren en die verdedigen tijdens latere pleidooien. De opbouw van een dergelijke zaak duurt enkele  maanden.
Ik las ergens dat er een vordering is gesteld van een miljoen euro als schadevergoeding. Is dat niet wat overdreven?
Natuurlijk is dat een enorm bedrag. Maar je moet er rekening mee houden dat je te maken hebt met een 26-jarige speler die uitstekende toekomstvooruitzichten had. En FC Brussels heeft zijn carrière gebroken. In een internationale carrière kijken clubs die zich interesseren voor spelers van dit kaliber naar hun palmares van de laatste zes maanden. Wel, de laatste zes maanden moest hij op de bank zitten om futiele redenen Meer zelfs, uit het dossier blijkt dat hij gechanteerd werd : telkens hij naar zijn loon informeerde, dreigde men ermee dat hij niet zou mogen spelen met de eerste ploeg. Door dat spelletje moest hij zes maanden lang op de bank blijven. Zo verminderde zijn waarde op de internationale spelersmarkt heel aanzienlijk. Dat is dan ook de reden waarom zo’n bedrag provisioneel wordt gevorderd. We zullen het met overtuiging verdedigen voor de Arbeidsrechtbank.
Ante Aracic wendt zich tot u. Maar had u enige ervaring met het voetbalmilieu?
Ik heb geen enkele ervaring met het voetbalmilieu. Maar ik ben al 20 jaar advocaat. Dan besef je dat het recht moet worden eerbiedigd, voetbalwereld of niet. Er is ook een contract dat moet worden nagekomen. Of het nu gaat om voetbal, basket of wat dan ook, voor mij  komt het erop aan dat het recht en de contractuele bepalingen worden nageleefd.
Meneer Vermeersch heeft een bedrijf met arbeiders, bedienden. Ik heb nooit gehoord dat hij bedingen inzake bezoldiging van zijn werknemers met de voeten getreden had. Maar op voetbalgebied zijn de geschillen legiio. Er is sprake van tal van contyractbreuken wegens het niet uitbetalen van lonen en zelfs het niet storten van bijdragen voor het pensioenfonds. Hebben we hier te maken met een Mister Jekyl en een Dokter Hyde ?
Ik ken de clubvoorzitter niet persoonlijk. Ik las wel dat hij een bonte figuur was. In mijn ogen is dat absoluut geen mankement. Hij heeft een sterke persoonlijkheid. Maar in dit geval ben ik toch verbaasd te zien hoe elementaire rechtsregels, onder meer op het gebied van contracten, niet in acht worden genomen. Wat de rechtbank dan ook onmiddellijk heeft bevestigd.
Je krijgt de indruk dat voetbal een wereld is waar een soort straffeloosheid heerst. Contractuele overtredingen gebeuren vaak. En niet alleen bij Brussels. Maar de bestuurders mogen voortboeren alsof er niets aan de hand was.
Door deze zaak kwam ik herhaaldelijk in contact met het voetbalmilieu dat ik absoluut niet kende. Ik ben erg verbaasd dat er zo zelden een beroep wordt gedaan op de rechtbanken. Je krijgt de indruk dat heel wat geschillen intern geregeld worden. Mijns inziens wordt er niet voldoende een beroep gedaan op justitie, op de rechtbanken die per definitie een onpartijdige blik hebben, ongeacht het domein, om na te gaan of de rechtsregels gerespecteerd werden. Meneer Aracic had de juiste reflex: niet proberen het te regelen binnen de wereld van het voetbal, maar de zaak voorleggen aan een externe rechtbank die per definitie onpartijdig is, om zodoende het conflict te regelen vanuit een onafhankelijke instantie met als enige visie het recht en de rechtsregels te respecteren.
Meer concreet nu : hoe moet het nu verder? Wat zijn de volgende stappen ?
De volgende stap is het opmaken van het dossier. Voor het overige heb je vooreerst de uitvoering van het vonnis. Wat betreft de achterstallige bezoldigingen en de variabele vergoedingen, namelijk de matchpremies, de contractueel bedongen vliegtuigtickets, daarover moet nog worden gepleit. Met inbegrip van de compensatie voor de nog te lopen contractjaren en de schadevergoeding, dat alles moet de volgende maanden worden behandeld; na het lezen van de argumenten en conclusies van de tegenpartij en die van ons, vinden de partijen elkaar weer voor de arbeidsrechtbank waar we zullen pleiten over de zaak in haar geheel. Met natuurlijk een pluspunt voor ons, vermits we al een eerste gunstige uitspraak hebben gekregen voor diezelfde rechtbank.
Een laatste vraag: is een minnelijke schikking nog mogelijk?
Uw vraag wijst de weg van de redelijkheid. Je ziet dat je van rechtswege al gelijk krijgt in dit stadium. Drie magistraten verklaren dat de werkgever duidelijk ongelijk heeft en dat hij zijn verplichtingen niet nagekomen is. Redelijkerwijze verwacht je dat de partijen rond de tafel gaan zitten. Noch mijn cliënt noch ik willen kost wat kost naar de rechtbank. Maar in dit soort dossier en na al wat ik gelezen en gehoord heb over die clubvoorzitter is de weg van de rede niet altijd degene die hij verkiest.
 
Kreten en gefluister

De huidige crisis wordt ervaren als een sportprestatie. Het is de ergste crisis sinds …. De grootste … de meest onrustwekkende … de snelste … de meest gespierde … de minst oplosbare….

 

Maar de kunstmarkt floreerde nog nooit zo goed. Bankiers pushen veilingen over de hele wereld. Sotheby’s heeft niets weg van de Bronx. Forbes publiceert nog altijd zijn palmares van de grootste vermogens. Dit jaar haalt Bill Gates nog slechts een zilveren medaille na de luttele som van twee miljard te hebben verloren. De tijden zijn hard. Nooit waren de tijden zo ernstig … zo broos  … zo genadeloos.
 

 Jean-Marc Guillou mag geheel straffeloos in België een centrum openen waar jongens of eerder jonge kinderen vierentwintig uur op vierentwintig leven voor het voetbal. Deze Kim Cleysters van het elverspel die denken dat glimlachen betekent barrevoets over synthetisch gras te lopen dat hun voetzolen kietelt: kriebel, kriebel, die kinderen die geofferd worden op de rooster van de lotto van een onzekere toekomst door gemakzuchtige geestesluie ouders, zijn tekenend voor een crisis, een morele crisis, een crisis, naar we hopen, van het einde van een regime. De kinderatleten uit de DDR, die met de paplepel groeihormonen ingegoten kregen en geprogrammeerd werden door geschifte dokters, kondigden gelukkig al de barsten aan die uiteindelijk de Berlijnse muur deden instorten.

Tijdens de crisis van de jaren dertig werden in de Verenigde Staten dansmarathons gehouden. Winnaar was wie het langst kon dansen, een marteling voor de voeten die je voor de rest van je leven het kleinste danspasje deed haten. Tijdens de crisis van de jaren dertig in Europa begon men de ganzenpas te dansen, tot heel de wereld ervan walgde. Net als onze huidige speculanten rivaliseerden Franco, Mussolini, Stalin, Pétain, Hitler om ter hatelijkst, om ter crimineelst, om ter meest populistisch in de Olympische spelen van tirannie en cynisme.

 

In de sportwereld net als in de zakenwereld wordt de amateur beschouwd als de allergrofste belediging. Maar de nakende Hiroshima van de effecten oogt wel degelijk professioneel.

Waar voetballen we vandaan? Wat voetballen we? Waar voetballen we naartoe?
 Het geluk van een Julien Gorius. Valery Sorokin die depri is. Peter Maes die trainingen houdt als een bezetene. Michel Preud’homme houdt het bij arrogant. En de Toche Rimbold, de eeuwige Rimbaud van het Brussels voetbal die een kick krijgt al voetballend bij derde provinciale Vorst. Je bent niet serieus als je dertig bent … Je loopt schitterende cafés binnen.
Je vraagt een bock of een limonade… Da’s den Toche, ten voete uit.
 Mijn voetbalweek zat vol contrasten. Het elverspel is een spiraal die je meesleept, je wringt, je doet duizelen.De sperverreking van de een, de pijn aan de adductoren van de andere nemen ineens proporties aan van de wereldbankcrisis. De supporter is vaak een feilloze historicus van verleden en heden. Hij onderzoekt tot in het detail, als een entemoloog, hij maakt zich zorgen, hij speurt in de databanken van het internet. Hij wikipediet zoveel hij kan, maar in plaats van een bril op zijn neus, houdt hij zijn pint als een monokel in zijn rechter hand om zijn encyclopedische kennis te lessen en te leiden. Zijn veldslagen als de Gulden Sporenslag of Hasting van het voetbal kent hij op zijn duimpje en zegt ze op met de bezetenheid van een liefhebber die op het punt staat een nieuw doctoraal schrift te produceren dat vertrouwde zienswijzen overhoop gooit. Voetbal, koninkrijk van het onbenullige, het lachwekkende en het gratuite, heeft alle vergane waarden vervangen op zoen naar zingeving in Absurdië.
Valery Sorokin zit te kniezen op de bank in Gent. Net als Sébastien Phiri. Beiden wachten. Maar ze weten niet meer waarop ze zitten te wachten daar op hun bank of op het veld van de reserveploeg. Geduldig wachten ze op een bus, een vliegtuig, een taxi of een HST die ze zal voeren naar het Superelftal of naar andere oorden. Valery die ik vorige week ontmoette, had zelfs heimwee naar Brussels en zelfs bijna naar voorzitter Vermeersch
Zo erg vond ik het dat ik op het punt stond hem mee te nemen naar de spoeddienst van het Universitair Ziekenhuis van Gent dat op enkele passen van zijn woning ligt om enkele losen vijzen in zijn kop was te laten vastschroeven. “Vergeleken met Louvagie is Vermeersch een berg vol sympathie en menselijke warmte. Ik herinner me dat de voorzitter van Brussels er alles aan gedaan had om te trachten me in zijn team te houden. Hij was zelfs bereid een grote financiële inspanning te leveren om me te houden. En dat vergeet ik nooit.” Maar alle bokkesprongen, bedriegerijen en achterstallige betalingen? “Ja, da’s de andere kant van het personage”, zegt hij en stelt me gerust over zijn geestesgezondheid.
Is het voetbal dit soort verblinding en die oogkleppen waard die met zwier over de ogen worden gedrapeerd ? Zijn er geen andere doelstellingen in het leven dan wat zich honderd meter verder op een rechthoekig grasveld afspeelt? Dergelijke vragen gaan voorbij aan de clubcafés in de stadions, die nieuwe Volkshuizen waar voortdurend meetings worden gehouden, die parochiezalen van een nieuwe religie waar de hoogmis wordt gevierd met mluide stem, met een lach en een grol, waar er geen sprake is van elite of aristocratie, alleen een wriemelende mensenmassa waarin elk individu zijn waarheid nen zijn kennis verkondigt.
 Julien Gorius straalt sereniteit uit in Mechelen. Hem past het schoentje. Met heel goede matches op zijn krediet en gewaardeerd door de pers en de Mechelse supporters is Julien, ondanks een recente blessure, (aanstekelijk) enthousiast. “Keitof is het hier. Heb je het oefenveld gezien? Hier zijn de omstandigheden ideaal. Het is een heel leuke club met een ongelooflijk publiek. “ Terwijl Frédéric Renotte en Luc Duville me met een glimlach goeiendag komen zeggen, orakelt Julien door:”Ben je komen kijken tegen Tubeke? Heb je de ambiance meegemaakt? En het was maar tegen Tubeke, ondanks al mijn respect voor die ploeg. Nee, hier heerst gekte in de gradins. Alles kits hier. » En natuurlijk hebben we het over Brussels. “Niet slecht voorlopig, hè?  Posto, of je die nu in eerste, tweede of derde klasse zet, die speelt zonder ophef te maken, maar is niet te vervangen. Sanogo, het schijnt dat er vuur zit in die kerel? Dat verwondert me niet. Maar de troef voor Brussels is Olivier Werner. Plaats die in eerste klasse en je krijgt de beste keeper van heel het land.”
 Training in Mechelen lijkt op veel andere trainingen. Oefeningen in balcirculatie, demarquage, loskoppeling, éénmaatspel, enz. Peter Maes valt daarentegen uit de toon. Hij komt de trainingszaal binnen als op kousenvoeten. Zijn assistent leidt het maneuver tot hij zelf weer geleidelijk overneemt. En plots zie je deze minzame en hartelijke man veranderen: hij vliegt op, traint mee, schreeuwt, verbetert, roept, herhaalt de oefening, stopt, moedigt zijn spelers aan, trekt zijn haar uit, eist, beveelt, geeft raad. Maes beleeft het voetbal. In zijn aders vloeit geen bloed, maar afgemeten tackles met een Epo-tikkeltje bezetenheid.

Waar komen wij vandaan? Wie zijn wij? Waar gaan we  heen?
Vraag het aan den Toche. Ik ben zeker dat hij het antwoord kent.
De wereld is een voetbal

De financiële wereld gaat kopje onder. De banken spelen Anderlecht in de Champion’s League. Behalve dat het hier niet om te lachen is, tenzij geel of begrafenispaars. De banken boeten hun zitvastheid in. Nadat god twee eeuwen geleden dood werd verklaard,  weet de planeet niet meer tot welke heilige ze zich moet wenden.
 

Nochtans is niets zo breekbaar als een financiële instelling. Een bank, da’s als de oude doos van Pandora waarin alle kwalen van de wereld opgesloten zitten. Opties, overeenkomsten, soms wat rente, trukjes die enkel bedoeld zijn om de klant te lokken, de lambda Benedictus XVI die er het hoofd of zijn centen bij verliest.

Geld, da’s een briefje dat alle onteigeningen toelaat. Een stukje vloeipapier dat uren werk in één twee drie opdroogt. Een klein werkvlekje en de euro drinkt het op ad fundum. Maar wie teveel drinkt, riskeert op een mooie dag met zijn zatte kop tegen een verlichtingspaal te knallen. In Argentinië een tiental jaar geleden, in Rusland niet eens twintig jaar geleden en in Centraal-Afrika zo’n dertigtal jaar geleden veranderde het bankbriefje overnacht  van vloeitje in een papier om je kont mee af  te vegen.

 

Toen haalden we hier de schouders op en mompelden de eeuwige dooddoener “dat overkomt alleen anderen”, waarna we de krantenpagina omsloegen en overgingen tot de voetbalberichten.

 

Vandaag de dag doet het bankwezen onze regeringen panikeren. Dexia, dat op sterven na dood is, krijgt aan zijn hoofd een supporter van Club Brugge.  Fortis puft amechtig – de supporters van paars zaten toen aan hun Playstation, denk ik – en … nu is er niets of niemand meer. Chapeau Bas, heren ministers! Of liever Pari-bas.
 

Duizenden , tienduizenden mensen zijn alles kwijt. En niet alleen vermogende mensen die een miljoen of twee verloren zijn zoals je een of twee sleutelbossen kwijt speelt. Neen, er zijn ook kleine spaarders bij die niet gespaard werden door de zorgeloosheid van enkele hoofdspelers in een tragisch en wereldwijd Monopolyspel.
 

Een wereld stort in. Maar dokter Chapelle is terug in het Fallonstadion. De ellende neemt toe. Maar gelukkig gaat  Zola Matumona mee naar Namen. De hele planeet gaat gebukt onder de schuldenlast. Maar een zeventienjarige  Guinees  zonder papieren tovert een glimlach op de lippen van enkele Brusselse voetbalscouts. De verontreiniging wint veld. Maar AFC Tubeke beëindigt zijn nieuwe tribune binnen de gestelde termijn. Het cy nisme groeit. Ik vul mijn Bwin-formulier in. 

Voetbal op het platteland, voetbal in de stad.
 Samen met Theo en Jeannot trok ik naar Waregem. Ze waren door Zulte-Waregem uitgenodigd in het VIP-restaurant. We komen twee uur voor het begin van de match toe. Ik heb dus tijd om rond te wandelen in de stad. Waregem doet me denken aan Halle, maar heeft bovendien de netheid en de sfeer van een Nederlandse stad. Overal winkels, supermarkten waar je ook kijkt. Maar toch ook hier en daar kleine affiches van de Parkietenbond die in oktober een grote Parkietenbeurs organiseert. Een kerk in het stadscentrum, de Sint-Amanduskerk, een grijze stenen blok van een kerk, achter stellingen verborgen, met rond het marktplein een krans van onpersoonlijke tavernes.
 
 Ik zoek een terrasje op, haal de krant boven, bestel een Blonde Leffe en begin te lezen. De Fortis-affaire, een bank die ondergaat als de Titanic, de tegenslagen van Alizée Poulicek, Euromillions, het debat Obama/Mac Cain, de paars-witten die een naamloze vennootschap willen worden passend bij hun stadion dat al een tempel van de naamloosheid is.
 
Waregem ziet er welvarend uit. Vlaanderen op zijn best. Nochtans is het een bescheiden stadje. Zoals elders nestelt de eerste klasse zich in kleinere plekken. Westerlo, Tubeke, Dender, Waregem, Brugge-die-Scoone, Roeselare, Lokeren, Bergen, Kortrijk. Net zoals het basket overigens. De competitiesport verlaat de grote steden. De trend is duidelijk, onweerlegbaar. Tienen, Waasland en Doornik prijken al bovenaan de tweede klasse. Club Luik overweegt uit te wijken naar Sint-Truiden. Péruwelz, Zaventem, Wetteren, Willebroek leiden in derde klasse.
 
 Champion’s League, nous voilà!
 
De Brusselse stadions brokkelen af, raken gekrast als een langspeelplaat van Lange Jojo uit de jaren zeventig. Wat overblijft is de charme, de herinnering, verflenste melodie, liefde voor oude stenen. Jozafat, De Drie Linden, Joseph Marien, zelfs de Heizel en Edmond Machtens, sjofele sukkels vol verlatenheid, prachtige scheepswrakken vergaan in een oceaan van verwaarlozing. Slachtoffers van kanonschoten afgevuurd door piraten die meer lijken op stoute tuinkabouters, op kapitein Haak in Smurfenland, op een opkoper van gouden tanden die in 1942 een winkeltje opent op enkele kilometer van Oswiecim. Hoe is het zo ver kunnen komen?
 
 Mijn vrienden zijn bij Antwerp, dat ander symbool van verval, van voetbalcariës. Je krijgt er … zwanenvel van, van een pathetisch stervende zwaan dan. De koren blijven zingen, ook al is onze god dood. Zelfs al heeft de toekomst niets meer te bieden. Alleloeja , rood-zwart. Go for it, de Meulebeik. There’s only one Team in Brussels to remember !
 
 Terzelfder tijd begeef ik me naar het regenboogstadion. Een zwerfauto staat in de schaduw van de VIP-tribune. Ik passeer de controle. Ik val op Johan Boskamp bij het worstenstalletje die met vrolijke gulzigheid een hamburger verorbert. Zijn gerimpelde ogen lachen, schitteren. Daar staat hij, alleen tussen de massa. Gebouwd als een rijzende piramide in Luilekkerland. Ik groet hem. Hij is vriendelijk. En lacht natuurlijk graag. Nu zijn hamburger op is, stapt Bossie naar het snoephuisje. Hij koopt er een pak snoep. Net een groot kind. De oude koning van het Machtensstadion kan zich inleven in het voetbal. Salons en versierde zakoeski’s zijn niet aan hem besteed.
 
 Ik neem afscheid van hem en neem samen met de directie van Tubeke plaats in de tribune.
 
Zulte-Tubeke, een aangename match. Spannend. Onbeslist. Mijn blik volgt Steve Colpaert. Het rood en groen vloekt op hem. Je zou zeggen Harry Langdon die verkleed is als Nana Mouskouri. De Mona Lisa in pareo van Club Med. Toch levert Steve een onberispelijke match. Goede opstelling. Precisie in het spel. Soberheid. Zulte-Waregem wint. De directie van Tubeke blijft glimlachen en heeft sterretjes in de ogen. Theo Buelinckx zegt me:”We werden echt keigoed ontvangen door Zulte-Waregem. Ze zijn hier erg vriendelijk.” Papa Colpaert groet me: “Ben je niet bij Brussels?”.
 
We rijden terug naar Tubeke. De nacht is donker, de weg lang. Asfalt kilometers lang. Voetbal wordt niet langer gespeeld in de grootsteden.
The Great Zinneke
Komt zaterdag allen zien naar de clash, de sex pistols, de buzzcocks van de Exqi League!  De Grote Praalhans tegen the Great Zinneke, een tweestrijd van onttroonde goden, het duel tussen twee clubvoorzitters die openbaar vermogen naar zich toe hebben getrokken, met een verbazende koppigheid en constante klaterende aankondigingen. Ieder seizoen gaan we wat zien! En inderdaad, je ziet wat je ziet. Clubs die afbrokkelen als het Bosuilstadion zelf.

 

Aan de ene kant, stamnummer 1, met zijn supporters, zijn grootspraak, zijn liefde voor klatergoud, zijn grappige onsamenhangendheid, zijn verscheurdheid, zijn brutale mond, zijn genadeloze nederlagen , zijn steriele allianties, zijn  hoekig, schor  Aantwerps waarin de teleurstellingen als distels groeien.

Aan de andere kant, een club die schippert van faillissement naar faillissement, van fusie naar fusie, van slagen onder de riem, van het ene bedrog naar het andere, van menselijke warmte die omslaat in nostalgie, van dat nooit meer en ’t is altijd hetzelfde, van tweede naar eerste klasse, van schulden naar schrapping.

Eddy Vermeersch versus Johan Wauters, Johan Vermeersch en Eddy Wauters zijn allebei oud-voetbalspelers die aan het hoofd staan van een voetbalclub. Twee voorzitters door God aangesteld, met poen en gehuld in een soort wazigheid. Twee bouwers van spooktribunes. Twee rapers van goedgelovigheid. Twee mannen van een voorbijgestreefd voetbal.

In Antwerpen blijft het voetbal een religie. Zelfs al is god dood, toch wordt hem iedere zondag een mis opgedragen, een roestvrij R.I.P. op zondag. Als bewoner van een havenstad richt de Antwerpenaar zijn blik op een verre horizon, een blik vol nostalgie, verdampt bier en tranen van de Stroom van banktrafieken. 

Maar de Brusselaar, die haakt af. Enkele supporters blijven hangen zoals monniken die trappist blijven brouwen, niet meer voor God, maar voor hun eigen smaakpapillen. En ze schenken er liever twee tegelijk in. Ze stoppen hop tot achter hun rood-zwarte sjerpen. Maar de modale Brusselaar interesseert zich niet meer voor voetbal. Hooguit draait hij nog als vrijwilliger mee in lagere klassen; maar anders haakt hij af, hij vergeet, hij heeft lak aan de dicht gebetoneerde horizons die overal voor zijn ogen rijzen. Hij spot, hij mort, hij krijgt een maagzweer, hij verzuurt en zingt niet meer over Molenbeek tenzij in zijn oudste herinneringen.

Nochtans, zelfs op sterven na dood, zingt het voetbal nog. Of liever gezegd, het neuriet. Zaterdag in  Antwerpen, zal het voor één dag uit zijn as rijzen om heel even onze verkoolde moedeloosheid te verschalken.


C’mon Brussels! C’mon Molenbeek! Molenbeek Brussels Army!

Voetbaltempels

Vrijdagavond woon ik de match van de Tubeekse beloften bij. Ik ontmoet er Theo Buelinckx. Na de match spreken we af in het clubcafé voor morgen zaterdag. Beiden hebben we Olympic-Brussels en Mechelen-Tubeke in onze respectieve agenda genoteerd. Een echte voetbalorgie. Een symfonie van sensaties. Alletwee hebben we onze vrouwen moeten sussen. « Ja, onmogelijk om er niet bij te zijn, schatje." Ik denk dat onze eega’s nog eerder een maîtresse zouden accepteren. Want een minnares, daar krijg je genoeg van, al dat stiekem gedoe, gestolen momenten, gedachtepuntjes in de dagelijkse zinsbouw. Terwijl voetbal je met huid en haar verorbert. Je betovert. Je verhekst. Een voetbalfanaat, da’s als Jonas in de buik van de walvis. Lekker warm. Maar in een verscheurende omgeving.
 

Theo en ik rijden samen naar Montignies. We doorkruisen Charleroi, het zwarte land onder een grijze hemel. De motregen spat uiteen op de voorruit van Theo’s grijze Citroën. We praten over voetbal. Theo heeft het over de jaren 71 tot 75 toen hij bij Olympic speelde in tweede klasse. "Ik was een bescheiden speler, geen vedette. Ik deed gewoon mijn job. Ik kende mijn grenzen. Maar ik compenseerde ze met een sterke wil en met continu doorzettingsvermogen. En nochtans, telkens als ik naar Olympic terugkeer, zijn er mensen op straat die me groeten, die me herkennen. In die tijd waren er 10.000, soms 15.000 supporters op de open tribune. Vandaag de dag is het voetbal hier op sterven na dood."

We parkeren de wagen op een voetpad en lopen naar het stadion. Theo wordt inderdaad aangesproken door voorbijgangers, voorbijgangers van de derde leeftijd en van het derde type, zoals wijzelf, onze broeders, onze gelijken. Ik verlaat Theo die uitgenodigd was in de eretribune. Ik vind een plaats in de bezoekerstribune en tussen heel mijn rood-zwarte familie. Het stadion van Neuville heeft iets oubolligs. De tribunes omgeven het grasveld en rijzen rechtgeaard en zonder pretentie rond een arena waar passies en lotsbestemmingen de strijd aangaan.
 

De Molenbekenaars zijn in grote getalen aanwezig in een vak van de tribune uit beton en ijzer. Ondanks tegenslagen en de chronische hoest waaraan de club lijdt, blijven de rood-zwarte sjerpen en shirts komen. Ondanks het plotse overlijden van Jo "Hooligan" De Clerck wiens leven werd weggemaaid door de absurde en pijnlijke loterij van het blinde noodlot. Ik kende hem alleen van zien, zoals talrijke andere figuren die wekelijks present zijn in de Nieuwe Daring en in het stadion. Maar ik heb met de anderen meegzongen "Jo Hooligan is met ons", terwijl Brussels Olympic door de pletwals joeg. Een dribble van Zola, twee, drie, Zola-de-wervelwind, Zola-de-draaitol en « Jo Hooligan is met ons ». Jo is present, recht opstaand, zingend, op een rij "gradins" helemaal bovenaan. Hij is er. Je voelt zijn aanwezigheid. Voetbal is geen onbenulligheid, maar een heilige zaak, het leven zelf.
 

Ik vind Theo terug meteen na het affluiten van de match. We stappen weer de auto in en starten richting Mechelen. "Brussels was een klasse groter. Je merkt dat het een eersteklasser is. Doordacht spel en gas geven op het gewenste moment. Olympic speelde gelijk een tweedeklasser. Ze liepen in alle richtingen, zonder na te denken, alleen fysiek ». We verlaten Charleroi en de hemel klaart op. Het houdt op met regenen. De wolken drijven uiteen, heffen hun wazige rokken op en tonen hun hemelsblauwe dijen. We praten verder. Theo is een echte Brabander. Een Brusselaar. Die overschakelt van het Nederlands naar het Frans zoals Lance Armstrong overstapt van zijn terreinfiets naar de Ronde van Frankrijk. "Ik hoef je niet te zeggen dat die tweetaligheid soms problemen doet rijzen of tot lachen aanzet binnen uitsluitend Franstalige spelers. Toen ik trainer was in het US Centre had ik voornamelijkse spelers van Italiaanse afkomst. Op een dag hadden ze me een match echt verknoeid. Met de nodige ernst vroeg ik hen in de kleedkamer: vanwaar die "slaptitude" ?. Of die keer dat ik me bij het begin van de training vroeg ik de spelers te beginnen met de "échauffage" (in plaats van "échauffement"). We praten over Vermeersch. Hij leerde hem kennen tijdens de onderhandelingen met Yves, toen het Brusselse avontuur begon. Hij beschrijft hem als een contrastrijke figuur, tegelijk voorspelbaar en onvoorspelbaar, een hartelijke en verwarrende man.
 

Wij bereiken Mechelen. De stad wordt overspoeld met KV-supporters die zich naar het oude stadion van Malinwa begeven. Een stadion zoals bij Olympic, maar dat duizend liftings onderging. Een stadion gebouwd als een klankbord voor de liederen van de Mechelse supporters. Het "Never Walk Alone" dat wordt aangezet voor de match, daar krijg je kippenvel van. Da’s Engeland aan deze kant van het Kanaal. Ik moet opnieuw aan Jo denken.

De match was intens. Op zijn Brits, vol energie. Spanning tot het einde toe. Tubeke ging ervoor, als dappere metaalbewerkers van de Forges en vol enthousiasme. Mechelen antwoordde hierop met enthousiasme, frisheid en gulheid. Ik nam notities voor de website van Tubeke, ik kribbelde duizend dingen neer, duizend spelfazen en ideeën, terwijl Julien Gorius voortdurend zorgde voor passes, dwarstrappen, tempoveranderingen.

Na deze ontmoeting die we meemaakten tegen 160 per uur, zie ik Albert Cartier weer. We omarmen elkaar. Hij straalt. De Mechelaars zijn kwaad om het gelijkspel. Een verantwoordelijke van Malinwa spreekt Albert in het Nederlands aan. Ik vertaal. "Mag ik u een vraag stellen?" « Jazeker », antwoordt hij. « Waarom hebt u ons publiek willen schofferen door onze fanfare te verjagen tijdens de opwarming?" De steeds hoffelijke Albert antwoordt: "Het was nooit onze bedoeling wie dan ook te schofferen. We vroegen de fanfare onze helft van het terrein te verlaten, gewoon omdat we ons moesten opwarmen. Waarom speelt de fanfare tijdens de opwarming enkel aan de kant van de bezoekers? Waarom gaat ze niet spelen aan de kant van jullie ploeg ? »

Nee, voetbal is niet onbenullig.

Tegen middernacht rijd ik samen met Theo naar Halle waar we in de vroege uren aankomen. Theo vertrouwt me toe:"Het punt dat we vandaag wonnen is super belangrijk. Maar ik ben in de eerste plaats blij voor Albert. Hij maakte een aantal keuzes die sommigen binnen de club lieten tandenknarsen . En hij heeft gewonnen. Ik weet wat hij op dit ogenblik voelt. Kijk Dirk, ik spreek hier als voormalig trainer."
Voetbal is een hartszaak.

Blauw en geel geeft groen
Tot enkele jaar geleden was ik geen Unionfan. Ik geloofde dat voetbalclubs als vrouwen zijn (behalve dat ze niet afwassen,sorry, dwaas grapje). Je had er blonde, je had er kastanjebruine, of rosse of zwarte. Qua voetbal, was ik rood-zwart. Als kind deden de geel-blauwe clubs me denken aan de trams van de MIVB, paars aan een lijkwagen, rood-en-wit aan een giftige paddenstoel. Rood zwart, daarentegen, dat was rebellie en lef, schemer en nacht, anarchie en hoop, Roodkapje en Zwarte Piet
 Gelukkig wordt het kind een dagje ouder. Zijn abrikozenhuid wordt doorgroefd door de grove ploeg van de tijd die verstrijkt. Zijn smaak en afkeer zijn verfijnder. Zijn vooroordelen vervagen en laten onnozelheid over aan de prehistorische geesten die vinden dat kleren de man maken.
 Vandaag dus is mijn hart zonnegeel en mijn gemoed wordt hemelsblauw als ik denk aan de club die door kwade tongen  wordt bestempeld als een stoffige museumclub. Zijn stadion is inderdaad een monument, zijn gevel een beschermd monument zelfs, maar dit Brussels Hermitage herbergt ieder jaar een nieuw kunstwerk, soms gewaagd of zelfs wat aangebrand, soms flamboyant, soms zelfs wat oubollig (alleen de geschiedenis kan hierover oordelen). Op de lange duur krijg je zo een gevarieerde verzameling die ieder jaar rijker wordt. Dit jaar bijvoorbeeld is het al geweten dat het zogenaamde museum het werk van een grootmeester aan de muur zal ophangen, namelijk eentje van de hand van Jacques Urbain die velen jaloers en hebberig zal maken.
 En mocht het Joseph Mariënstadion dan al een museum zijn, dan is het in ieder geval een museum dat beweegt, dat leeft, dat ademt zoals geen enkel ander stadion in België dat doet. Dit amusante museum is een hemelse Muse waardig en lest alle dorstigen met voetbal en gerstenat.
 Union heeft toekomst. Bij heel wat clubs wordt de toekomst gelezen uit het koffiedik van twijfelachtige praktijken en handeltjes à la d’Onofrio. Hier, op de hoogte, lees je de toekomst in de lol en het optimisme, de liefde voor het spel en voor de familie van Sint-Gillis.
 Elders plant men de bouw van stadions in steriel beton waar niets groeit, behalve dan een vorm van stedelijke verveling ; op andere plaatsen is men zinnens triestige kerkhoven aan te leggen met een soort aquarium waar de haaien uit de « zaken »-wereld doorzakken in hun katoenen business seats. Niet zo bij Union, waar het stadion een troef is. Een Gina Lollobrigida uit haar glorieperiode. Een piratenschip, een kapersboot die uitvaart  tegen elke vorm van cru winstbejag.
 Want het stadion op de Heuvel is het stadion van de toekomst, de toekomst van een stad die binnenkort autoloos wordt, een stad die voor altijd de Fast-Foots met hun paarse loklichten zal uitbannen. Het is het stadion van Union dat glimlacht, dat als een glimlach prijkt in een groen kader en waar elke goal een grashalm wordt tussen de lippen van de dromers die de Unionisten zijn. Kortom, het stadion waar de Brusselaar van morgen net als zijn voorouders zijn wortels zal voeden en zuurstof zal brengen in zijn zwanzersbloed dat zoals de Zenne stroomt onder een gewelf van dagelijkse zorgen.
4 september 2008 - Johan Vermeersch, neem ontslag!

« Voor het begin van de ontmoeting deze zondag tussen FC Brussels en OHL organiseert FC Brussels een brunch waaraan u kunt deelnemen! De deuren worden geopend om 12.30 uur (binnengaan mogelijk tot 14.00 uur). Prijs: 65 €+ BTW «  Zo staat te lezen op de officiële website van FC Brussels).

De zoveelste affaire die losbarst bij FC Brussels. Ze zal weliswaar niet meer zorgen voor een nieuwe aftocht van de sponsoren van de club. Want die zijn al allemaal weg. Maar het is een povere troost voor de supporters die nu al jaren de door meneer Johan Vermeersch opgediende adders te slikken krijgen.

Vandaag liet de voormalige Kroatische Brussels speler Ante Aracic overgaan tot een gerechtelijk beslag op de bankrekeningen van FC Brussels bij de bank ING. Voor de rechtbank eist hij zijn achterstallig loon en een morele schadevergoeding (en Aracic stapt echt naar de rechtbank, hij dreigt er niet alleen mee). De affaire past in het prentje van de vorige zaken die de Molenbeekse club op zijn grondvesten lieten daveren en die uitliepen op gevallen van contractbreuk. Ook nu schreeuwt Johan Vermeersch moord en brand, dat het een schandaal is, belachelijk, dat er verduistering in het spel is, banditisme, verraad, kortom een hele waslijst van termen waarmee verontwaardiging kan worden uitgedrukt. En opnieuw zal hij zijn advocaat gelasten de nodige maatregelen te treffen, opnieuw zal hij schreeuwen dat hij in zijn eer gekrenkt is. En opnieuw zal hij ons zeggen dat we eens iets gaan meemaken, zie.

 In de zaken Gorius, Kouyate, Nong, Mokulu enz. heeft Johan Vermeersch, zoals we weten, nog altijd niets ondernomen noch klacht ingediend.

 Nu al staat vast dat een aantal supportergroepen komende zondag zullen roepen om het ontslag van die rare goochelaar uit Ternat. Zijn beheer lijkt steeds meer op een dodelijke injectie in het hart van het Brussels voetbal. Het Molenbeekse voetbal dat al verscheidene maal op sterven na dood was, maar telkens weer in staat was op te staan, spuwt thans besmet bloed. Nu is de rood-warte ploeg aan het creperen, niet ten gevolge van een verkeerd dieet, honger of een tekort aan vitamines. Nee, de club ligt op sterven omdat iemand hem aan het vergiftigen is. De gifmenger zoeken is als Cluedo spelen met één enkele kaart. Een kaart waarop de kop prijkt van een mopperende burger, de karrikatuur van een clubleider die er als de kippen bij is om overheidssubsidies te vragen om zijn speelgoedje, zijn privé-jachtgebied te financieren. Als hij nog een tijdje zo verder boert, zal de sanering van de Molenbeekse club even weinig effect ressorteren als de interventie van de brandweerlui van Tsjernobil.

Het voetbal is ziek, ziek door al die luitjes zonder scrupules die – toegegeven, soms verloren gegane - gemeenschapsgoederen naar zich toe trekken, maar die nooit worden veroordeeld. Het voelbal is ziek van die witwassers die de mensen op d’onofriaanse wijze beet nemen. Ze doen hun winstgevende zaakjes, zeker van de welwillende of medeplichtige blindheid van sommige politici. Vergeleken hierbij lijkt het Epo in de wielerpelotons wel op een onschuldige grap. Sint Ben Johnson verdient het onmiddellijk om zalig te worden verklaard naast de kleinste knoeier van sommige kringen binnen de Jupiler League of de Exqi League.

 

Blijft Vermeersch aan het stuur van FC Brussels uit liefde voor het voetbal? Nonsens! Hij haat voetballers: voor hem zijn het allemaal profiteurs, querulanten, alleen geïnteresseerd in de poen, zwakkelingen, onbeschofteriken, ondankbaren die hem – de prachtige speler die hij ooit was – nooit zullen evenaren. Hij haat het concept club dat per definitie een plek is voor ontmoeting en samenwerking. Hij haat de journalisten die hem niet langer betitelen als de schitterende voorzitter, de dynamische bulldozer, de fijne kenner van het Belgische voetbal.


Johan Vermeersch, neem ontslag!


 

Waar ligt Zuid-Afrika?

 Tubeke, 2 september 2008
 

Vanochtend trainden de Rode Duivels in het Nationaal trainingscentrum van de Bond in Tubeke. Er waaide een sterke bries over het terrein en op de tribune zat een hele resem journalisten en fotografen. Ze kijken naar het puik van het Belgisch voetbal dat wat apathisch en nonchalant aan het trainen is en een kleine match speelt op een helft van het veld. Tussen de spelers staat René Vandereycken in korte broek, grijsharig, met een buikje en met een droeve trek om zijn mond. Hij spreekt geen woord, tenzij om Theo Custers, de nog wat meer dikbuikige trainer van de doelwachters, te vragen om hem een bal door te geven. De sessie verloopt traag, zonder enige fut. Ik meen me te herinneren dat Albert Cartier ooit een trainer definieerde als iemand die "entrainant" (meeslepend, dus) moest zijn. René staat hier voor een andere definitie. Aanwezig is ook wel Franky Vercauteren, die er wat uitgeblust uitziet en die af en toe raad geeft aan de een of andere speler. Verder niets. Verveling. Patattenduivels.

 

Mochten de Esten vandaag een spion hebben gestuurd naar Tubeke, zouden ze goed lachen hebben. Het land telt vijf koeien per inwoner; het is vooral bekend voor zijn melkproductie en zelfs zijn volkslied begint met meuh-meuh. Het gevaar is niet denkbeeldig dat ze uit onachtzaamheid onze geblaseerde jonge plantjes van het veld weggrazen. Natuurlijk hebben onze Duivels Kompany in hun rangen, een Vincent die wanhopig probeert wat punch in de groep te brengen. Gezien vanuit Talinn denk ik dat die Belgische lusteloosheid in één hap zal worden opgepeuzeld door de graseters en dat zowel de melk- als de sportsector van Estland er de komende dagen flink op vooruit zal gaan.

 

Maar het spektakel speelt zich eerder af in de tribune van het oefenveld. Doorgezakte journalisten met doffe blik en hangende armen, met de benen op de rugleuningen van de vorige rij, lijken op  personages uit Balzacs roman , "Les Illusions Perdues". Vlijmscherpe zinnetjes, achterklap, definitieve uitspraken worden uitgewisseld met een ontstellend gemak. Waar zijn de grote journalisten gebleven, de Ronaldinho's van de pen, de Arshavins van het woord, de Blondins, de Hemingways van vroeger? Het klopt natuurlijk dat de krantenredacties nog enkel kilometerwize schrijfsels eisen. De televisie vreet zich zat aan gladde beelden. De zestien of zelfs vierentwintig sportpagina's in de kranten stellen zich tevreden met een minimalistische opsomming van feiten en haastig bijeengeraapte kronieken. De voetbalmatchen worden voortaan opgenomen door tien à vijftien camera's die als webcams zijn opgesteld langs het terrein. Het voetbalspel wordt pornografisch weergegeven, zonder recul, esthetiek of bezinning. Het lijken wel bewegende Polaroidfoto's. Een Playstation voor de arme. En de journalisten moeten zich onderwerpen aan die werkomstandigheden waar ze verworden tot schrijvelaars met een correcte spelling weliswaar, maar zonder vindingrijkheid. In Tubize, tijdens de match van verleden vrijdag tussen Rood en Geel en Blauw en Zwart, zag ik op de perstribune twee journalisten die al aan het eind van de eerste speelhelft hun verslag hadden afgewerkt, doorspekt met venijnige opmerkingen, uit onverschilligheid of onder tijdsdruk of nog uit een soort Balzakiaans cynisme?

 

Arm Belgisch voetbal! Wie wijst je de weg naar Zuid-Afrika?

 

 

 


 


 

 

 

30/08/08 - Interview van Felice Mazzu, adjunct-trainer van Tubize

Na de match tegen Club Brugge ving ik de reacties op van Felice Mazzu, adjunct van Albert Cartier.

 
 
 

Felice, 0-3 na 17 minuten, doet zoiets pijn ?

Ja, dat doet erg pijn, vooral omdat we al een strafschot kregen na amper 40 seconden spelen. Gelet op onze 0/6 en onze tegenstander werd onze taak meteen een stuk moeilijker. En ondanks alles hebben we een zeer verdienstelijke tweede helft gebracht vol lef en goesting, zelfs bij een score van 0/3. En da’s positief.

 
 
 

De goesting, de wil en het engagement zijn er, maar iedere week opnieuw verdedigingsfouten, is dat niet frustrerend voor een trainer ?

Voor Meneer Cartier, denk ik, was het moeilijk om slikken. Want tijdens de training onderzoeken we die fouten en we verbeteren ze. Onze 0/6 stand was al te wijten aan dezelfde fouten als vandaag. Zelfs al worden ze niet begaan door dezelfde spelers, toch herhalen ze zich voortdurend. Afgezien van die individuele fouten zijn we in staat om te gaan met een ploeg als club Brugge, zelfs al staan we beslist een niveau lager. Maar het zijn de fouten die ons erin lappen. We moeten dringend een oplossing vinden. Oplossingen dienen om problemen te verhelpen. En problemen zijn er om te kunnen hopen op een oplossing.

 

 Vanavond werd AFC op geen enkel moment onder de voeten gelopen: de match werd bepaald door kleine technische details, een pass die niet juist voor de voeten terecht kom, een bal die 5 cm buiten ligt, een speler die 5 cm te laag springt.

Precies, al die details maken het verschil uit. Eersteklasser worden moet je leren. Het gaat wel een beetje te traag, vinden de trainers. Maar die leerschool moet er zijn. De jongens vragen erom, het is een hecht team, en dat alles telt zeker mee. Nu ben ik niet zo zeker dat als we in Brugge hadden gespeeld en dat Club dezelfde handsfout had begaan na 40 seconden, of het scheidsrechtertrio dan een strafschop had gefloten. Bij Anderlecht, gebeurde trouwens precies hetzelfde. Maar het is nu eenmaal zo, je kan er niets aan doen. Van waar ik stond kon ik eerlijk gezegd niet zien of het al dan niet hands was.

 
En het strafschop dat Tubize kreeg, dat leek een beetje op een compensatie, of niet ?
 Misschien wel, maar het is het tweede strafschop in twee weken dat we mislopen. Voor een team als het onze dat zichzelf nog aan hett zoeken is, moet je trachten je meer te concentreren.

 
Tubize heeft een ziel, Tubize heeft een hart, maar Tubize loopt nog wat mank.

Tubize heeft een ziel, Tubize heeft een hart en Tubize heeft een toptrainer. Dus al loopt Tubize nog mank, het zal erg vlug genezen

 
 
 

Het kampioenschap duurt nog lang. Vorig jaar zag je KV Mechelen kampen met dezelfde moeilijkheden, en plots klikte het.

Soms is een klik voldoende. De tweede speelhelft maakte ons vindingrijk. Er waren goeie dingen op het vlak van de animatie, van de positionering. Laat ons niet vergeten dat gedurende de hele voorbereiding de ene testspeler volgde op de andere. In dergelijke omstandigheden was het moeilijk om voor stabiliteit te zorgen. Nu kunnen we met een grotere sereniteit aan het werk met de kern, waarbij we wel beseffen dat we op 0/9 staan. Maar op het vlak van de kernploeg kunnen we de komende weken zorgen voor duidelijkheid in de structuur. De onderbreking van volg